Ik stond laatst op een vuilnisbelt,
en dat blikje cola had van jou kunnen zijn.
Ze smeekte niet, ze huilde niet. Ieder voorwerp dat ze zag was een herinnering.
Aan je lippen op de hare. Aan je zwerende afwezigheid die ze meedroeg als een last.
Jij huilt enkel om je ongewassen sokken en aangekoekte vaat.
Niet om het gemis van haar parfum, de lieve woordjes die ze kon fluisteren, de aai over je wang.
Sommigen noemen je ongevoelig, narcistisch, arrogant.
Ik roem jou Max.
De man zonder geloof.
Als jij je ogen opent kan je niet veel meer dan geschokt.
Iedere stap die je zet jaagt je op,
totdat je niet meer anders ziet
dan de dronken duisternis van geweld.
Ik snap dat je niet kan houden, zoals ik van jou.
Zij niet. Zij huilt bij het aanzicht van een blikje op een vuilnisbelt.
Bij het zicht op iedere man die wel.
